Conrad's Basic Meet- en controletechniek - begrijpen en toepassen - Leerpakket

Datum: Januari 2026

Inleiding:

Een experimenteerset die ik al enige tijd geleden gekocht heb en waarvan ik dacht dat het tijd werd  om me er eens doorheen te werken.

Principe:

Meet- en testtechniek begrijpen en toepassen

Materiaal:

  • Velleman DVM9912 Multimeter
  • 9V Batterij
  • Conrad Components 10091 Basic Mess- & Prüftechnik Elektronik Lernpaket:
    - Handleiding
    - Insteekplaat
    - Componenten


 

 

Uitvoering en resultaat:

Het leerpakket geeft in 20 stappen de noodzakelijke basis voor de juiste omgang met een multimeter. Aan de hand van vele praktische experimenten toont dit leerpakket hoe u spanningen en stromen correct kunt meten en hoe u weerstanden, transistoren of LED's kunt testen. U leert meteen ook om met elektronische onderdelen om te gaan.

 

De handleiding begint met een uitleg van de basis componenten en welke symbolen men gebruikt in schema's.
Ik ga deze uitleg hier niet herhalen, deze kan men in elk basisboek vinden (zie literatuur). Uiteraard wordt ook het uitlezen van de weerstands kleurencode besproken.

Vervolgens volgt een uitleg over de multimeter en hoe  men de meetkabels moet aansluiten (zwart = aarde -)

Als me bij het instellen van het meetbereik verschillende mogelijkheden heeft begint men een meting altijd met het hoogste meetbereik waarna men terugschakelt naar de gewenste waarde.

De hier gebruikte Velleman DVM9912 is "autorange" voor een aantal metingen.


Experiment 1: Hoe meet men een weerstand door ?
Voor het meten van een weerstand heeft men geen externe stroombron nodig aangezien weerstandsmetingen als is ingebouwd in de multimeter (MM).
Buig van één weerstand van 330 Ω, één van 1 kΩ en één van 2,2 MΩ de aansluitdraden 90 graden om, zodat men de weerstanden in het experimenteerbord kunt steken.
Ik heb de standaardmeetpennen vervangen door klemmen en gebruik deze om de weerstanden door te meten
Een meting is alleen nauwkeurig als het volle meetbereik wordt gebruikt. Schakel daarom altijd terug tot aan het laagst mogelijke meetbereik. Hoe groter het geselecteerde meetbereik, hoe groter de meetfout en hoe onnauwkeuriger de meting. Dat is ook van toepassing voor stroom- en spanningsmetingen. Een autorange MM lost dit probleem echter automatisch op.

Experiment 2 : Hoe gedragen weerstanden in serie zich?
Weerstanden worden niet altijd afzonderlijk, maar soms ook gecombineerd in schakelingen gebruikt. Een van de mogelijkheden is om de weerstanden in serie te schakelen. Steek twee weerstanden van 1 kΩ in serie in het experimenteerbord.
Als weerstanden in serie zijn geschakeld, is de totale weerstand,  de som van de afzonderlijke weerstanden:
Rtot = R1 + R2 = 1 kΩ + 1 kΩ = 2 kΩ

Men kan dit experiment herhalen met verschillende weerstandswaarden en meerdere weerstanden.

Experiment 3: Hoe gedragen parallel geschakelde weerstanden zich
Weerstanden kunnen ook parallel geschakeld worden. De eenvoudige parallelschakeling bestaat uit minimaal twee weerstanden.  Steek twee weerstanden van 1 kΩ en een van 330 Ω onder elkaar in het experimenteerbord.
De berekening:

1/Rtot = 1/R1 + 1/R2 = 1/100 + 1/330 = 1/248 --> Rtot = 248 Ω

 
Experiment 4: De condensator meten
Om de capaciteit van een condensator te meten, heeft men een multimeter nodig die geschikt is voor capaciteitsmetingen (CAP op de hier gebruikte).
Ontlaad de condensator voor aansluiting. Sluit daarvoor de beide aansluitingen kort. Leg hiervoor een tang of een schroevendraaier over de beide contacten.
Let bij het aansluiten van de meetsnoeren, met name in het geval van elektrolytische condensatoren (elco's) op de juiste polariteit. Sluit de rode leiding aan op de pluspool van de condensator en de zwarte op de minpool. Bij een meting moet men enige tijd wachten tot de meting voltooid is.
 
Experiment 5 : Condensatoren in serie geschakeld
Bouw op het experimenteerbord een serieschakeling van 2 condensatoren op (capaciteit 10 μF).  Let op de juiste polariteit. Bij elektrolytische condensatoren moet de min van de ene  condensator verbonden worden met de plus van de andere.

Berekening:

1/Ctot = 1/C1 + 1/C2 = 1/10 + 1/10 = 2/10 = 1/5 -->  Ctot = 5 μF

 
Experiment 6:  Condensatoren parallel geschakeld
Bouw op het experimenteerbord een parallelschakeling van 2 condensatoren op.

Berekening:

Ctot = C1 + C2 = 10 + 10 = 20 μF

 
Experiment 7: Hoe meet men gelijkspanning?
Bouw de schakeling met een LED op het experimenteerbord. Schakel daarvoor een weerstand van 1 kΩ in serie met een LED.

De LED-schakeling bestaat feitelijk uit twee belastingen, de weerstand en de LED. Over beide treedt een spanningsval op. De som van beide spanningen is gelijk aan de spanning over de batterij.

De spanningen bij in serie geschakelde belastingen voldoen aan de volgende vergelijking:

Utot = U1 + U2  = 9.3 + 2.0 = 11.3 V

 
Experiment 8: Hoe meet men wisselspanning?
Dit experiment bespreekt het gebruik van de MM voor het meten van wisselspanning. Als de MM een aparte stand heeft voor het meten van wisselspanning zal deze daarop ingesteld moeten worden. De hier gebruikte MM kan zelf bepalen of deze wisselspanning meet of gelijkspanning.
 
Experiment 9: Hoe meet men stroom?
Om stroomsterkte te meten, moet de multimeter in serie geschakeld worden met de belasting(en).
 
Experiment 10: Hoe meet men of er een verbinding bestaat?
Het meten of twee punten verbinding maken, kan om verschillende redeneren nuttig zijn bv om vast te stellen of een kabel gebroken is. Veel multimeters hebben daarom een meetbereik waarbij niet alleen de meetresultaten op het display getoond worden, maar waarbij ook een geluidssignaal klinkt als er verbinding is tussen de meetsnoeren. Met de ohmmeter (weerstandsmeting) is ook heel eenvoudig te bepalen of er verbinding bestaat. 0
Selecteer het Ω-meetbereik op de multimeter en houd de meetpennen tegen elkaar. Op het display wordt dan 0,0 Ω of een iets hogere waarde getoond (weerstand door oxidatie van de meetpennen) , wat zoveel betekent als "geen weerstand" (er is verbinding). Zodra u de meetpennen van elkaar haalt, wordt de weerstand oneindig groot en toont de multimeter "1--" hetgeen geïnterpreteerd kan worden als "geen verbinding" of kabelbreuk. Probeer bij verschillende kabels te bepalen of er verbinding is.
Een kabel moet spanningsloos zijn voordat men kan meten of er verbinding is. De kabel mag dus niet op een spanningsbron zijn aangesloten!
 
Experiment 11: Meten aan een schakeling: Spanning meten aan afzonderlijke componenten
Bouw een gecombineerde LED-schakeling op. Schakel de twee 1 kΩweerstanden parallel, schakel vervolgens de beide 330 Ω-weerstanden hiermee in serie en schakel ten slotte de LED ook in serie. Daardoor bevat de schakeling vier belastingen waarover u de spanning kunt meten. Houd daarvoor de meetpennen telkens tegen de beide aansluitingen van een weerstand of die van de LED.

U1 = 3.1 V      U2 = 2.1 V
U3 = 2.1 V      U4 = 2.0 V
U1+U2+U3+U4 = 9.3 V
Utot gemeten = 9.3 V

 
Experiment 12: Weerstanden meten in een schakeling:
Als men afzonderlijke weerstanden in een schakeling probeert te meten, dan moet men erop letten dat er andere componenten parallel geschakeld kunnen zijn aan de weerstand. Deze componenten worden dan als het ware meegemeten. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de twee parallelle weerstanden. Van deze weerstanden kan men alleen de gezamenlijke weerstand meten. Als men de afzonderlijke weerstand wilt meten, moet men minstens een aansluiting van een van beide weerstanden losmaken. Als men weerstanden wilt meten in een schakeling, dan moet de spanning zijn uitgeschakeld. Er mag dus geen batterij zijn aangesloten.
Als men bij het meten van de totale weerstand van de schakeling een oneindig grote weerstand meet, dan kan dat wijzen op een defecte schakeling.
 
Experiment 13: Meten aan een schakeling: Afzonderlijke stromen in een schakeling bepalen
In een serieschakeling loopt door alle elementen (bijvoorbeeld weerstanden) dezelfde stroom. De stroomsterkte is dus overal gelijk. Als men meerdere belastingen parallel schakelt, dan wordt de totale stroom verdeeld. De stroom is groter als de weerstand van een belasting kleiner is en omgekeerd. De som van de afzonderlijke stromen is gelijk aan de totale stroom.
In formule voor parallelschakelingen:
Itot = I1 + I2 + ... In
Bij een serieschakeling geldt:
Itot = I1 = I2 = ... In

I1 =8 µA         I2 = 286 mA
I3 = 286 mA    I4 = 598 mA

Door de zeer hoge 2,2 MΩ-weerstand loopt nauwelijks stroom. Om werkelijk een mA stroomsterkte door deze  weerstand te laten lopen, zou een spanning van 2200 V nodig zijn.

 
Experiment 14: Meetresultaten controleren
Met de wet van Ohm voor gelijkstroom en spanning:

R = U/ I
I = U / R
U = I * R
waarin:
U = Spanning in Volt (V)
I = Stroom in Ampère (A)
R = Weerstand in Ohm (Ω)

kan men metingen theoretisch onderbouwen De berekeningen kunnen ook helpen om eventuele meetfouten te herkennen.  Met de wet van Ohm kunt men ook besparen op het aantal benodigde metingen. Als men bijvoorbeeld de spanning en de weerstand al kent, dan kan men de stroom die door de schakeling loopt uitrekenen met de formule I = U / R.
Men kan ook deelstromen en deelspanningen in een schakeling bepalen. Men kan ook weerstanden uitrekenen.

 
Experiment 15: De multimeter als batterijtester
Multimeters kunnen ook gebruikt worden als batterijtester. Omdat multimeters heel precies meten, kunnen ze precies aangeven hoe vol een batterij of een accu werkelijk nog is. Om de batterijspanning te meten, schakelt men de multimeter in op een gelijkspanningsbereik. Als men de rode meetpen tegen de pluspool en de zwarte tegen de minpool houdt kan men direct de precieze spanning van de batterij op het display aflezen. Veel multimeters, hebben een apart meetbereik voor batterijtests.
 
Experiment 16: Meten van diodes
Een diode laat stroom slechts in een richting door. Multimeters hebben vaak een diode-testfunctie waarmee de doorlaatrichting van een diode kan worden bepaald. Deze functie is meestal gecombineerd met het meten of er verbinding bestaat. De ingebouwde pieper geeft een geluidssignaal als er verbinding bestaat.

Meet eerst de dioden door met een weerstandsmeting en vervolgens met de diode functie.

 
Experiment 17: Controleren van transistors
Er zijn slechts weinig multimeters waar men een transistor op kunt aansluiten. Het is echter wel mogelijk om de basisfunctionaliteit te controleren met een multimeter. . Zie de transistor als een combinatie van twee diodes, zoals ook het vervangingsschema laat zien. Stel de multimeter eerst in op diode-test. Om een NPN-transistor te testen, houdt men de rode meetpen tegen de basis en de zwarte tegen de collector en daarna tegen de emitter. In beide gevallen moet het instrument ongeveer dezelfde waarde aangeven. Als het instrument in dit meetbereik spanningen toont, dan moeten die rond de 0,7-0,8 V liggen. Dit laat zien dat de transistor in principe in orde is.
;
 
Experiment 18: Controleren van LED's
Met een multimeter kan men een LED heel eenvoudig testen. Bouw hiervoor een eenvoudige schakeling met een LED op het experimenteerbord. Plaatst de LED in serie met een weerstand van 1 kΩ en sluit een batterij van 9 V aan, zodat de LED gaat branden. 55 Meet nu de spanning over de LED. Sluit daarvoor de meetpennen aan op beide aansluitingen van de LED. Hierdoor is de multimeter parallel geschakeld aan de belasting, zoals dat gebruikelijk is bij het meten van spanning. U meet een spanning van ongeveer 2 V. Bovendien heeft u de controle dat de LED brandt.
 
Experiment 19: Temperaturen met
Veel multimeters kunnen ook temperatuur meten. U heeft daarvoor een temperatuursensor nodig. Deze mulltimeter kan dat ook en gebruikt daarvoor een adapter. De temperatuur wordt gemeten met een NiCrNi-sensor (Nikkel-Chroom-Nikkel type K). Het meetbereik voor temperatuur loopt bij dit instrument van -40 °C tot +1.000 °C. De meegeleverde draadtemperatuursensor is slechts geschikt voor temperaturen tot +400 °C.
 
Experiment 20: Vermogen en arbeid
Met de multimeter kunt men ook indirect het opgenomen vermogen uitrekenen van een schakeling en de arbeid die de elektrische energie verricht. Hiervoor moet men eerst het opgenomen vermogen bepalen. Hiervoor is het nodig zowel de stroom als de spanning te meten. Hierbij moet men de totale stroom Itot en de totale spanning Utot meten.

Met de formule: P = U * I
P = elektrisch vermogen in Watt (W)
U = Spanning in Volt (V)
I =  Stroom in Ampère (A)

kan men het opgenomen vermogen van de schakeling berekenen. Wil men weten hoeveel elektriciteit in een uur verbruikt word, dan moet men het berekende vermogen met 3600 vermenigvuldigen. De formule:

W = P * T
W = elektrische arbeid in Wattseconden (Ws)
P = elektrisch vermogen in Watt (W)
T = Tijd in seconden (s)

De elektriciteitsmeter werkt overigens ook volgens dit principe Hier werkt men met de kleine eenheid Wattseconde, bij de elektriciteitsmeter is het gebruikelijk te spreken van kilowattuur (kWh).

Literatuur:

  • A. Schommers; "Elektronica echt niet moeilijk - ontdekken, proberen, begrijpen - deel 1 : experimenten met gelijkstroom"; Elektuur; 1985; 3de druk; ISBN 9070160358
  • A. Schommers; "Elektronica echt niet moeilijk - ontdekken, proberen, begrijpen - deel 2 : experimenten met wisselstroom"; Elektuur; 1988; 2de druk; ISBN 9070160501
  • A.J. Dirksen; "Dirksen - leerboek elektonica - deel 1 - gelijkstroomheorie"; 9de druk; 1979; ISBN 9060821017
  • A.J. Dirksen; "Dirksen - leerboek elektonica - deel 2 - wisselstroomtheorie"; 7de druk; 1979; ISBN 9060820657
  • A.J. Dirksen; "Dirksen - leerboek elektonica - deel  3 "; 9de druk; 1986; ISBN 9060822633

Relevante websites:
  

07/01/2026